Wat is Dhamma?

Jump to: De Wet van de Natuur | Wees Zelfzuchtig | Niveaus van de Geest | Bestanddelen van Dhamma |

Iedereen praat over Dhamma maar niemand begrijpt het.
Praktijk van zuiverheid van geest–dit is ware Dhamma.- S. N. Goenka

(Het Sanskriet woord Dharma (dat in de Pāli taal als Dhamma wordt gespeld) betekende oorspronkelijk “de wet van de natuur” of “de waarheid”. In het India van vandaag heeft het woord helaas zijn oorspronkelijke betekenis verloren, en wordt het ten onrechte gebruikt om te verwijzen naar “sekte” of “sektarisme”. Met dit thema als inleiding, legt Goenkaji in onderstaande verhandeling uit dat Vipassana meditatie leert hoe een leven te leiden van zuivere Dharma-een leven vol vrede, harmonie en welwillendheid voor anderen)

Wat is Dharma? In de laatste 1500 tot 2000 jaar heeft India, tot zijn grote ongeluk, de ware betekenis van het woord ‘dharma’ verloren. Hoe zou men kunnen leven volgens de leerstellingen ervan als de betekenis zelf verloren was gegaan! Tot overmaat van ramp werden er allerlei vormen van ondersteuning, men zou kunnen zeggen krukken, aan toegevoegd. Verschillende gemeenschappen creëerden hun eigen respectievelijke dharma; zo ontstond er Boeddhistisch dharma, Jain dharma, Hindoe dharma, Christelijk dharma enzovoort.

Deze sektarische termen waren de krukken die aan Dharma werden gehecht, hoewel het geen steun nodig heeft. Het geeft steun. Maar wanneer deze krukken opkomen, krijgen zij voorrang en worden prominent, terwijl Dharma naar de achtergrond verdwijnt, ongezien. Tot ons grote ongeluk is dit wat er gebeurd is.

In het oude India betekende Dharma datgene wat men zich eigen maakt, doorleeft – dhāretīti dhammam. Dat wat op een bepaald moment aan de oppervlakte van de geest opkomt, werd beschouwd als het dharma van de geest. Wat neemt de geest in zich op behalve zijn eigen aard, zijn eigen kenmerken, dat is zijn ‘dharma’. Dharma betekende de kenmerken, de aard van een bepaald element. Dharma werd in de taal van die dagen ook rit genoemd, wat de wet van de natuur betekent. Bijvoorbeeld, de aard of de eigenschap van vuur is dat het brandt en verbrandt wie ermee in aanraking komt. De aard of eigenschap van ijs is koel te zijn en af te koelen wie ermee in aanraking komt.

DHARMA ALS DE WET VAN DE NATUUR

We zeggen ook dat het de wet van de natuur is dat alle wezens te maken krijgen met de dood, ziekte en ouderdom. De wet van de natuur, met andere woorden, was Dharma. Laten we onderzoeken wat de aard van de geest is. Wat er op dit moment in mijn geest is opgekomen: woede, vijandigheid, jaloezie of arrogantie bijvoorbeeld. Dit zijn negativiteiten die van tijd tot tijd kunnen opkomen, en als zodanig de aard van de geest worden genoemd, dat wil zeggen, de wet, het Dharma van de geest. De grote onderzoekers van weleer – de Rishi’s, Wijzen, Heiligen, Goeroes, Arahants, Boeddha’s zochten lang en hard om te vinden wat Dharma was, of de aard van de geest.

Elke bezoedeling, elke negativiteit van woede, jaloezie, of arrogantie, wanneer die ontstaat, resulteert in een enorme hitte en beroering van binnen. Dit is haar aard. Het is onvermijdelijk. Als woede van binnen is ontstaan, dan zal een ander deel van de natuur, onrust, volgen als een onvermijdelijk resultaat, iedere keer weer. Deze bezoedelingen ontstaan altijd in combinatie met onrust. Dit werd sahajat genoemd – wat samen betekent; deze ellende ontstaat samen met zijn eigen gevolg, zijn eigen uitwerking iedere keer weer.

Laten we dit beter begrijpen – wanneer brandende kolen in een vat worden gelegd, zullen deze eerst het vat verbranden alvorens de externe omgeving te verhitten. Iedereen die in de buurt komt, zal de hitte voelen. Evenzo, wanneer men ijs in een vat bewaart, zal het eerst het vat afkoelen alvorens de externe omgeving af te koelen. Dit is de onveranderlijke wet van de natuur.

Zoals vuur, wanneer een persoon boos is, wordt hij eerst het slachtoffer van zijn eigen boosheid voordat hij trillingen van agitatie en hitte in de omgeving verspreidt. Allen die met deze persoon in contact komen, voelen de agitatie. Dit is de uitdrukking of de aard van een geest die in onwetendheid leeft en zich manifesteert. Zodra men afstand neemt van de brandende kolen, zal de hitte afnemen.

De wijzen van weleer realiseerden zich, zoals eerder gezegd, de diepe waarheid dat wanneer een verontreiniging zoals jaloezie, woede, arrogantie enz. de kop opsteekt, deze hen onvermijdelijk zal verbranden. Als zij brandende kolen in hun mentale vaten stoppen, dan kan het resultaat niets anders zijn dan hitte en onrust. Op zulke momenten gedroegen zij zich zo in onwetendheid niet beseffend de onveranderlijke wet van de natuur; aangezien niemand in zijn rechtgeaarde geest brandende opwinding voor zichzelf zou willen opwekken.

Een kind in zijn onwetendheid weet niet dat vuur brandt en legt zijn hand op brandende kolen. Geschrokken trekt hij zijn hand terug. Nieuwsgierig geworden, legt hij zijn hand weer op het vuur en trekt hem terug als het brandt. Dit kan een paar keer herhaald worden, totdat hij eindelijk beseft dat dit vuur is, dat het brandt en nooit aangeraakt mag worden.

Een kind begrijpt het. Maar wat doen wij? We blijven onszelf vullen met meer en meer brandende kolen, en verbranden onszelf en anderen. Pure onwetendheid! Wanneer woede, jaloezie, afkeer, arrogantie of een dergelijke bezoedeling de kop opsteekt, blijft het zich van binnen vermenigvuldigen en vult het ons met gedachten aan de gebeurtenis of de persoon die een rol speelde bij het ontstaan ervan. We rechtvaardigen het voor onszelf door te zeggen: “Dit en dat gebeurde waardoor ik boos werd, dus het was niet mijn schuld. Het is niet meer dan normaal dat ik kwaad werd”.

Natuurlijk, inderdaad! U bent boos op iemand of op een gebeurtenis die u verhinderde het door u gewenste doel te bereiken. Misschien, maar het feit is ook dat u uzelf verbrandt. U hebt de hitte van binnen niet gezien. De geest kijkt alleen naar buiten.

Aan de andere kant, als in plaats van brandende kolen, koel ijs in het vat wordt gedaan, dan zal dat resulteren in kalmerende, rustgevende koelte, omdat ijs ook zijn eigen aard zal volgen om te koelen. De eigenschappen van de geest die verkoelende eigenschappen bezitten zijn liefdevolle vriendelijkheid, mededogen en vreugde in het geluk van een ander. Alle goede gewoonten hebben de integrale aard van het verschaffen van verkoelende kalmte aan zowel jezelf als aan anderen om je heen.

De wetenschap of techniek van het naar binnen kijken werd in het oude India Vipassana genoemd. Hoewel men zich bewust moet zijn van de uiterlijke werkelijkheid, werd naar binnen kijken terecht van vitaal belang geacht voor iemands mentale ontwikkeling; kijken naar de reacties die van binnenuit ontstaan als gevolg van bepaalde gebeurtenissen is een van de belangrijkste aspecten van bewustzijn. De dag dat we deze waarheid werkelijk kunnen zien, is de dag waarop we beginnen de zuivere Dharma te begrijpen zonder enige krukken.

‘Telkens wanneer ik bezoedelingen in mijn geest genereer, resulteert dit onvermijdelijk in onrust’; men begint deze absolute waarheid te begrijpen. Na een paar keer herhaaldelijk naar dit verschijnsel te hebben gekeken, leert men ook objectief naar deze werkelijkheid te kijken. Dat betekent dat men aanvankelijk de gebeurtenis of gebeurtenissen die zich buiten hem afspelen observeert en die gebeurtenissen ziet als de oorzaak van zijn woede, jaloezie, vijandigheid enz. Naarmate hij rijper wordt op het pad, maakt hij zich los van de gebeurtenissen en richt hij zijn aandacht op wat er van binnen gebeurt als hij kwaad wordt. Hij begint te zien dat hij in dergelijke situaties brandt van onrust en ongelukkigheid. Als hij naar binnen blijft kijken en deze fundamentele realiteit van Dharma begrijpt, beginnen zijn aard en gedrag te veranderen. Hij groeit dieper in Dharma.

Hij leert ook dat vertroebeld raken door bezoedelingen geen Dharma is. Hij ziet ook in dat het ontwaken van heilzame kwaliteiten als mededogen, liefdevolle vriendelijkheid en vreugde in andermans vreugde Dharma is, aangezien hij sereniteit en vrede ervaart bij het opwekken van dergelijke kwaliteiten.

dhāretīti dhammam – Dharma is dat wat geleefd wordt en wat men zich eigen maakt. Wanneer men het kent op een ervaringsniveau wordt de persoon werkelijkDharmisch. Men weet heel goed dat als men met vuur leeft, men zeker zal verbranden en omgekeerd, als men met ijs leeft, men koel zal blijven. Niets kan dit fenomeen veranderen. Dit is rit, de universele wet die allen zonder uitzondering regeert; zij maakt geen onderscheid tussen mensen die tot verschillende sekten en gemeenschappen behoren, of zij nu Hindoe, Moslim of van welke andere gemeenschap dan ook zijn.

De dag dat we dit universele aspect van Dharma erkennen, die dag zal de mensheid een kwantumsprong maken in de menselijke evolutie.

Als men deze universele waarheid vergeet en volhardt in het overmatig aandacht schenken aan uiterlijke riten en rituelen, dan vertraagt het werk van de zelf-evolutie, of men verwijdert zich zelfs verder van Dharma.

Verschillende sekten en gemeenschappen hebben hun eigen riten en rituelen, hun manier van kleden, hun levensfilosofie en respectieve sociale gewoonten die hun leven bepalen. Daar is niets mis mee, maar deze sociale rituelen en conventies zijn geen Dharma! Als iemand al zijn tijd steekt in rituelen, kan hij zichzelf voor de gek houden door te denken dat hij erg Dharmisch is; maar als hij dieper naar binnen kijkt, kan hij de werkelijkheid zien van hoe ver hij is afgedwaald van de Dharma, van wijsheid en kennis, waarbij hij bezoedelingen genereert, opgewonden raakt, zichzelf schade berokkent en de vrede van anderen verstoort.

Dharma is, zoals eerder gezegd, universeel, en heeft maar één maatstaf om na te gaan of men groeit op het pad; dat is te zien of de bezoedelingen afnemen. Dit is de eenvoudige en enige maatstaf om Dharma aan af te meten. Tot welke kaste, sekte of klasse men ook behoort, het doet er niet meer toe wanneer men eenmaal de ware en universele aard van Dharma begrijpt.

ZELFSTANDIG ZIJN IN DE WARE ZIN

De ware Dharma leert ons om egoïstisch te zijn in de ware zin van het woord. Een mens leert zichzelf in alle situaties, op alle tijdstippen in de gaten te houden; te zien wat er op het gegeven moment in de geest is opgekomen en hoe het hem heeft beïnvloed. Een waarlijk egoïstisch mens begrijpt waar zijn beste welzijn ligt en werkt dienovereenkomstig. Zulk “egoïsme” heeft niets te maken met egoïsme zoals het gewoonlijk wordt begrepen, waar iemand kan bedriegen en liegen om zijn belangen te beschermen. Het lijkt misschien alsof hij er op die momenten zelf beter van wordt, maar in feite werkt hij zijn eigen belangen tegen, omdat hij zichzelf schaadt door te bedriegen en te liegen. Een waarlijk zelfzuchtig mens werkt aan zijn beste welzijn door te groeien in Dharma.

Als de deugden van liefdevolle vriendelijkheid, mededogen en welwillendheid voor allen in hem groeien, dan zorgt hij inderdaad voor zijn ‘egoïstische’ belang. Maar als negatieve waarden in hem gaan overheersen, dan schaadt hij zijn eigenbelang en gaat hij tegen de Dharma in.

Inzicht hierin op intellectueel niveau is nooit genoeg. Vandaar dat de spiritueel ontwikkelde heiligen van dit land anderen aanspoorden om hun belangen veilig te stellen en de waarheid, de werkelijkheid van binnen te zien. Totdat men leert naar binnen te kijken, zullen alle ervaringen die men in de uiterlijke wereld kan hebben, niet van betekenis blijken te zijn. Wanneer men leert innerlijk te onderzoeken en te zien, dan ontdekt men een waar juweel, leert men het leven te leven zoals het bedoeld is om geleefd te worden, zichzelf zinvol verrijkend. Levend in vrede en vreugde, kan men dan zeggen dat hij de kunst van het leven heeft geleerd.

Wie wil dit niet? Wie wil inderdaad branden in helse vuren van bezoedelingen? Natuurlijk wil niemand dat, maar uit pure macht der gewoonte blijft men volharden in daden die hem en anderen om hem heen ongelukkig maken. Maar wanneer hij zijn geest naar binnen keert en innerlijk begint te zien, beseft hij de zinloosheid van het leven met onrust en gejaagdheid, zichzelf en anderen ongelukkig makend.

Hoewel, voortdurend reageren met afkeer van het ongewenste, en hunkering naar het gewenste, de verandering niet tot stand komt met louter uiteenzettingen, aangezien gewoonten diep geworteld zijn omdat we slaven zijn geworden van onze verlangens. Verandering moet van binnenuit komen. Wat moet men daarvoor doen?

De Rishi’s van weleer waren zoekers die de betekenis van rit onderzochten, of de wet van de natuur, de wet die dit hele universum beheerst. Zij zochten niet intellectueel, uiterlijk; zij zochten innerlijk op zoek naar antwoorden.

Een van de manieren die zij vonden was dat wanneer afkeer of een gevoel van boosheid opkomt, men zijn aandacht moet verleggen naar iets anders; begin een glas water te drinken of begin 1-2-3-4 te tellen. Het verleggen van de aandacht bleek natuurlijk te helpen om je beter te voelen. Zelfs het chanten van de naam van je favoriete Goden, Godinnen of je Goeroe verlichtte de woede of negativiteit die misschien was ontstaan.

De beste manier echter om zichzelf te zuiveren van bezoedelingen was het begrijpen van de fundamentele wet dat als je je geest bezoedelt, de natuur je zeker zal straffen, en zonder uitstel straffen. Omgekeerd, als je de geest zuivert met deugdzame gedachten en daden, zal ook de beloning zonder uitstel volgen. Er is absoluut geen vertraging in de reactie van de natuur; het is slechts een echo van iemands eigen gedachten en daden.

Als burger van een natie, in welke natie men ook leeft, volgt men zijn wetten. Als een wet wordt overtreden, kan de straf die waarschijnlijk zal volgen, enige tijd op zich laten wachten als gevolg van juridische vertragingen. Het is zelfs mogelijk dat men vrijuit gaat en de gevolgen niet hoeft te dragen als gevolg van een juridische fout. Maar de wet van de natuur of Dharma kent geen uitzonderingen en nooit uitstel. Verontreiniging in gedachten en handelingen wordt automatisch en onmiddellijk gevolgd door onrust en bezorgdheid, net zoals een goede daad of een goede gedachte onmiddellijk wordt gevolgd door de beloning van vrede en vreugde die er onvermijdelijk op volgt. Zodra men dit op ervaringsniveau begint te begrijpen, begint iemands aard en gedrag ten goede te veranderen.

Niemand wil ooit een leven van ellende leiden, maar onwetend genereert men steeds weer negativiteiten en raakt onrustig. Zelfs wanneer de geest ledig ronddoolt, worden sommige bezoedelingen gegenereerd, waardoor brandstof wordt toegevoegd aan het brandende vuur van binnen. Waarom gebeurt dit?

Luisteren naar woorden van wijsheid maar ze niet opvolgen met actie is een oefening in futiliteit. Ook ik heb rituelen uitgevoerd en jarenlang naar verhandelingen geluisterd. Deze kunnen helpen om de wijsheid enigszins te doen ontwaken, maar slechts kort. Wanneer bijvoorbeeld een dierbare is overleden en gecremeerd wordt, is er altijd een moment van diepe wijsheid in ons, “Och, ook ik zal op een dag zo eindigen op een brandstapel en niets zal mij vergezellen, dus wat voor nut hebben deze stompzinnige wereldse bezigheden? Waarom gehecht zijn aan dit ‘ik’ en dit ‘mijn’; waarom trots ontwikkelen?” Dit is wat men ‘kerkhofwijsheid’ noemt, die niets anders dan een tijdelijk effect heeft op het oppervlak van de geest. Zodra men uit de crematiegrond stapt, neemt onze wereld met al zijn gehechtheid aan ‘ik’ en ‘mijn’ het over.

Het is ook mijn ervaring, en die van duizenden anderen, dat degenen die hier komen voor louter intellectuele analyse en begrip, met lege handen terugkeren. Men kan overwegen: “O, wat hier gezegd wordt is zo waar! Ik zou mijn geest niet moeten bezoedelen met negativiteiten, want dat maakt me alleen maar ongelukkig. In plaats daarvan zou ik goodwill moeten kweken die bijdraagt aan mijn geluk en het geluk van anderen.” Dit effect op de luisteraar gaat verloren omdat er geen actie volgt die het oude gedragspatroon van de geest zal veranderen.

Soms kunnen we ons onderdompelen in bhajans (religieuze liederen), of japas (gezangen), of een ander religieus ritueel, die allemaal wat gemoedsrust geven waardoor we ons voor een tijdje goed voelen. Maar ook dit gevoel is van korte duur.

LEVELS VAN DE MIND

In de oudheid werd het oppervlakteniveau van de geest parita citta genoemd, wat een klein deel van de geest betekent. Of dit deel van de geest positieve of negatieve gedachten voortbrengt is van geen belang, aangezien de boodschap die wij op dit niveau aan onze geest geven nauwelijks doordringt tot het diepere mentale niveau, als het al doordringt. Het is in het binnenste deel van de geest, het grotere deel van de geest, het onderbewustzijn, waar hetzelfde oude patroon van onwetendheid en duisternis heerst. Een onaangename ervaring resulteert onmiddellijk in een reactie van afkeer en negativiteit. En een plezierige ervaring resulteert onmiddellijk in een reactie van begeerte en gehechtheid. Dit is zijn aard geweest gedurende ontelbare levens.

Iemand gelooft misschien niet in vele levens, maar hij of zij gelooft zeker in het bestaan van dit leven en kan duidelijk zien dat men sinds de vroege kinderjaren reactief is geweest. Men ziet ook dat telkens wanneer er iets ongewenst gebeurt, of iets gewensts niet gebeurt, afkeer en onrust ontstaan als onvermijdelijk gevolg. Daar moet men uit zien te komen.

DE VOLGENDE DRIE ZIJN DE BELANGRIJKSTE BESTANDDELEN VAN DE DAMMA:

Moraliteit (sila)

Het eerste bestanddeel van de Dhamma is moraliteit, d.w.z. rechtschapenheid. Bijna alle volgelingen van verschillende sekten en leerstellingen die in die tijd gangbaar waren, aanvaardden het belang van moraliteit.

Ik weet dit uit eigen ervaring omdat ik geboren en opgevoed ben in een orthodoxe Hindoe familie. De ouderen leerden mij de les van het cultiveren van toewijding aan God. In het gebed tot God dat de onderwijzer ons op school leerde, werd ons opgedragen tot Hem te bidden: “Neem ons in uw toevlucht, maak ons deugdzaam”.

De onderwijzer op onze school vroeg ons geen enkele daad met lichaam of spraak te begaan, die enig wezen kwetst of schaadt. Het begaan van een dergelijke daad is verkeerd gedrag en het niet doen ervan is juist gedrag. In alle tradities wordt de les van juist gedrag van jongs af aan onderwezen. Ik kan dus heel goed afleiden dat toen de Dhamma-ambassadeurs van de Boeddha op reis gingen om zijn leer te verspreiden en zij de mensen voor het eerst vroegen de voorschriften van de moraal in acht te nemen, er van geen kanten verzet daartegen was. Deze Dhamma-ambassadeurs moeten hun geleerd hebben dat de gedachte om heilzame of ongezonde daden te verrichten eerst in de geest opkomt. Daarna komt het tot uiting in daden van spraak en lichaam. Geen van de wijze mannen zal enige moeite gehad hebben om ook deze waarheid te aanvaarden. Om een deugdzaam leven te leiden, moet men zeker het begaan van verkeerde daden van lichaam en spraak vermijden. Hoewel het zeer noodzakelijk is, is het zeer moeilijk de geest te bevrijden van wandaden.

Het zal voor een gewone man uit die tijd niet moeilijk zijn geweest te begrijpen dat de geest aan alle verschijnselen voorafgaat. Alle verschijnselen komen voort uit de geest. De geest is het belangrijkst, die is het belangrijkste, en daarom is alles door de geest gemaakt – Mano-pubbangama dhamma, mano-settha, manomaya. Het is noodzakelijk de geest te zuiveren om zichzelf te zuiveren. Een handeling van spraak of lichaam uitgevoerd met een onzuivere geest is een wandaad, die iemand schaadt en ook anderen. Evenzo is een handeling uitgevoerd met een zuivere geest een deugdzame handeling die heilzaam is voor jezelf en ook voor anderen. Wanneer de geest bezoedeld raakt, worden ook de handelingen van lichaam en spraak bezoedeld en hun gevolgen veroorzaken lijden. Zoals gezegd wordt –

“Manasa ce padutthena, bhasati va karoti va; Tato nam dukkhamanveti, cakkam’va vahato padam.”
– Als men met een onzuivere geest enige handeling van spraak of lichaam verricht, dan volgt het lijden die persoon zoals het karrewiel de voet van het trekdier volgt. Evenzo – wanneer de geest zuiver is, worden de handelingen van lichaam en spraak ook van nature zuiver en hun resultaten leiden tot geluk.

“Manasa ce pasannena, bhasati va karoti va; Tato nam sukhamanveti, chaya’va anapayini.”
–Als men met een zuivere geest enige handeling verricht van spraak of lichaam, dan volgt het geluk die persoon als een schaduw die nooit weggaat.

Toen deze ambassadeurs van de Boeddha de mensen de weg leerden om rechtvaardig te worden door controle te krijgen over hun geest, dan werden hun handelingen van spraak en lichaam op natuurlijke wijze deugdzaam. Een schaduw die nooit verdwijnt.

Concentratie van de geest (Samadhi) –

Het is noodzakelijk controle te krijgen over de geest voor het zuiveren van iemands handelingen van lichaam en spraak. Wanneer de geest onder controle is, dan alleen kan men het begaan van verkeerde daden vermijden en geneigd zijn om deugdzame daden te verrichten. Voor het bereiken van concentratie van de geest is observatie van sila een noodzakelijke voorwaarde.

De meeste Indiërs van die dagen hechtten belang aan het bereiken van controle over de geest en namen daartoe verschillende maatregelen, waarvan sommige nog steeds van kracht zijn. Bijvoorbeeld – iedereen heeft zijn eigen godheid of god of godin die hij vereert. Hij reciteert herhaaldelijk zijn of haar naam zodat hij/zij tevreden is en zijn geest geconcentreerd maakt. Deze manier om concentratie te bereiken is echter niet universeel maar sektarisch omdat zijn/haar god of godin niet universeel door iedereen wordt aanvaard.

De Dhamma-zonen van de Boeddha schenen geen polemiek te hebben veroorzaakt door dergelijke overtuigingen van de mensen tegen te spreken. Maar geleidelijk aan werd deze waarheid in hun geest gevestigd dat iemands bevrijding in zijn eigen handen ligt. In plaats van de geest te concentreren en te zuiveren door de steun van iemand anders aan te nemen, moeten zij zich gerealiseerd hebben dat een individu zijn eigen meester is, wie anders kan zijn meester zijn? Atta hi attano natho, ko hi natho paro siya. Zij moeten zich ook gerealiseerd hebben dat het bereiken van de goede of de slechte toestand in iemands eigen handen ligt. — Atta hi attano gati. Daarom moet men, om zijn toestand te verbeteren, inspanningen leveren op zijn eigen niveau.

Voor het bereiken van controle over de geest, toonden de Dhamma-ambassadeurs hen de universele weg. ‘Blijf de stroom observeren van de normale adem die op natuurlijke wijze in- en uitgaat. Zodra de geest afdwaalt, breng hem dan terug naar het bewustzijn van de ademhaling. Geen woord moet worden herhaald met de ademhaling; geen denkbeeldige overtuiging mag ermee worden gecombineerd. Als de adem op natuurlijke wijze in- en uitgaat, blijf hem dan gewoon observeren zoals hij is.’

Sommigen hebben misschien deze techniek van zelf-vertrouwen aanvaard, terwijl velen misschien belang hechtten aan de traditionele manier om concentratie te bereiken. Degenen die hun toevlucht namen tot zelf-vertrouwen in plaats van de traditionele manier, zouden zich tot wijsheid (Pañña) kunnen hebben gewend.

Wijsheid (Pañña) –

Als men gesterkt raakt in de juiste concentratie (samma samadhi) op basis van normale, natuurlijke ademhaling, begint men een of andere gewaarwording te ervaren bij de ingang van de neusgaten. Dan begint het zich te verspreiden in het hele lichaam. De waarheid die men aldus realiseert is te danken aan zijn eigen inspanningen. Daarom is het geen indirecte kennis. Het is een kennis die verkregen wordt door iemands directe ervaring. Aldus wordt het Prajña (wijsheid – directe ervaringskennis) genoemd.

Naarmate men meer en meer werkte aan het ontwikkelen van concentratie, kwam men tot het besef van de drie soorten wijsheid.

Eerst is de ‘gehoorde wijsheid’ (srutmayi Pañña), dat is de kennis die men verkrijgt door van iemand te horen en deze met eerbied te aanvaarden.

Tweede is de intellectuele wijsheid (Cintanamayi Pañña) die men verkrijgt door na te denken over wat men van anderen heeft gehoord. Wanneer hij het logisch vindt aanvaardt hij het. Dit wordt intellectuele kennis genoemd die op intellectueel niveau door reflectie wordt verworven. Maar beide zijn geen wijsheid in de juiste zin.

Derde is ‘ervaringsgerichte wijsheid’ (Bhavanamayi Pañña). Dit is juiste wijsheid, die de kennis is die men door eigen ervaring heeft verkregen. Iets als waar aannemen na van anderen gehoord te hebben is geen echte kennis. Evenmin is het als logisch beschouwen van iets dat in een boek gevonden is, wijsheid. De juiste wijsheid is die kennis die door eigen directe ervaring ontstaat. Het is geen indirecte kennis, maar het is de eigen directe kennis. Daarom is dit wijsheid in de juiste zin.

Voor meer toespraken over Dhamma, gehouden door Mr. S. N. Goenka, klik hier.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.